Zenleven Daiun Sogaku Harada Roshi

Zenleven

Door: Daiun Sogaku Harada Roshi

Mijn leven in Zentempels is een lang verhaal, nu ik terugkijk en mijn leven in ogenschouw neem…

Toen ik zeven jaar was, nam iemand mij voor het eerst mee naar een tempel. En nu ben ik zesentachtig.

De afgelopen herfst was ik in Tokyo en ontmoette daar een autoriteit op het gebied van frenologie (schedelleer). Die vertelde mij dat ik minstens negentig zou worden. Dus het ziet er naar uit dat mijn tijd nog niet op is.

In eerste instantie zou ik niet ouder dan vijfenvijftig worden, tenminste dat was mij verteld door een voorgaande generatie van toekomstvoorspellers. Ondanks deze voorspelling heb ik het leven gerekt tot nu toe. Ik schrijf dit toe aan het feit, dat ik tot geloof ben gekomen in de onontkoombare werking van karma (oorzaak en gevolg).  En voor zo ver mogelijk, naar dit geloof ben gaan leven. Maar boven alles geloof ik dat mijn leven zo als dat dan nu is,  het gevolg is van meditatie.

Er is geen zelf,  alleen Karma.  Karmische onvermijdelijkheid is een grote, eeuwige, onsterfelijke, ijzeren wet. En noch goden, Boeddha’s of demonen kunnen daar iets aan veranderen. Daarom, als je je fysieke gezondheid in de gaten houdt, een regelmatige leven leidt, spiritueel gericht blijft en steeds doet dat wat juist is, kan men gestadig zijn leven verlengen.  Als kind had ik een zwakke gezondheid en daar kwam nog bij, dat in de oude stijl Zentempels er weinig aandacht werd geschonken aan de voedingswaarde van het eten. De gebruikelijke kost bestond uit gekookte gerst en rijst, gezouten radijs (Rettich, Japanse naam: Daikon ) en miso-soep met wat groente. De zeldzame keer dat we tofu (chinees tahoe) kregen, gebakken of uitgeperst, was een traktatie. Met als gevolg dat door dit dieet mijn huid over mijn hele lichaam was uitgedroogd. En bij koud weer werd ik voortdurend geplaagd door kloven, mijn huid barstte overal open. Gedurende de jaren dat ik in de trainingshal van de Shogen-Ji tempel in Ibuka verbleef, was “Mino”, de jaarlijkse bedelronde om daikon (rettich) bij elkaar te bedelen, een martelperiode. We verzamelden de daikon in de dorpen rondom Ibuka en droegen de zware vrachten die over een bamboestok hingen op onze schouders terug naar de tempel. De kloven in mijn voetzolen begonnen te bloeden, zodat ik op mijn tenen lopend deze tochten af moest leggen.( bij de traditionele bedeldracht draagt men zogenaamde “Waradji”, sandalen van stro die men zonder sokken draagt) Bij terugkomst ging iedereen in bad om op die manier bij te komen van de kou. Maar mijn voeten brandden zo pijnlijk dat ik ze niet in het hete water kon krijgen. Dit valt echter niet onder de categorie verhalen “De Ontberingen van een Zen-monnik”. De grootste pijn voor een Zen-monnik is licht brengen in “De Grote Zaak”. De oprichter van het Soto-Zenboeddhisme, Dogen Zenji, zei: “Het bestuderen van de Boeddhaweg, is het bestuderen van dat wat het zelf is.” Dat zelf, is niet de illusionaire 1,80.M. hoge homp vlees die de meeste mensen voor het zelf verslijten. Het zelf is het oneindige universum, in ruimte en tijd. Dat is het werkelijke zelf. Het is het totale universum. Dit is wat men in Zen met het werkelijke zelf bedoeld . Door wat zou dat aangetast kunnen worden, een kernexplosie? Dit is je gezicht voor je geboren werd. De juiste manier van het Boeddhisme beoefenen, is dit geloven, het begrijpen , dit te trainen, ontwaken, er één mee worden. Tussen haakjes, deze manier van oefenen is niet alleen voorbehouden aan Zen, elke zich zelf respecterende religie maakt gebruik van deze trainingsmethode.

Gisterenavond hoorde ik iets heel vreemds op de radio. Er was een jongeman die meedeed aan een of andere populaire quiz. Deze jongeman gaf als beroep op Boeddhistische priester. Het commentaar dat de quizmaster gaf was: “De training moet wel erg zwaar zijn”. Waarop de jonge man antwoordde: “Ik doe geen enkele training.” De quizmaster was met stomheid geslagen. Deze uitzonderlijke priester kwam welliswaar van een andere orde, maar ik wil alleen maar zeggen, dat in deze tijd binnen het Zenboeddhisme wemelt van zulke types. Je kunt haast wel zeggen de meerderheid. In deze tijd van woningnood, wonen priesters in gigantische tempels, gebouwd voor hen door onze voorouders. Het enige wat ze te doen hebben is af en toe wat sutra’s reciteren, een begrafenis ceremonie leiden en het kerkhof bijhouden. Ze gaan soms zo ver dat ze een gedomesticeerd leven leiden, met vrouw en kinderen, als gewone leken. Tot overmaat van ramp zijn door de overheid de rijstvelden die bij de tempels hoorden na de oorlog in beslag genomen. Omdat dit vaak een grote bron van inkomsten voor de tempels was, die nu wegviel, hebben veel priesters logischerwijs baantjes aan genomen, zoals docent of ambtenaar bij de gemeente. Van enige vorm van training is daardoor in de verste verte geen sprake meer. Zelfs op de universiteiten die geacht worden priesters op te leiden, is de Zazen-training geen vereiste meer. Met als resultaat dat het aantal monniken in kloosters zoals dit sterk terug loopt. Aan de andere kant, het aantal jonge aspirant-leken groeit tegen de verdrukking in, Niet alleen gewijde priesters, maar jonge mensen in het algemeen, die serieus op zoek naar de waarheid zijn, door twijfels worden gekweld. En zich af beginnen te vragen “Waarom zijn we geboren? Wat doe ik hier? Wat gebeurt er na de dood? In mijn jeugd werd ik ook door zulk soort vragen gekweld, de bron van deze kwelling was voor mij het mysterie van leven en dood.

Dogen Zenji schreef in de inleiding van zijn boek Shushogi: “Volledig klaarheid brengen in de bedoeling van geboorte en dood, is het meest belangrijke vraagstuk voor elke Boeddhist. Meedogenloos werd ik door deze vraag gekweld, tot ik er niet meer tegen kon. Uiteindelijk zette ik mij er toe anderen in vertrouwen te nemen en ik schreef lange brieven aan drie bekende Boeddhistische leiders in die tijd: Dr. Sensho Murakami (een zeer bekende geleerde op boeddhistisch gebied), Shaku Soen Zenji (een groot Zenmeester) en Unsho Risshi (een meester van de Shingon sekte, gerespecteerd om zijn grote deugdzaamheid). Ik vroeg hen om het fundamentele antwoord op vraag van leven en dood: “Als iemand sterft, verdwijnt hij dan als een wolk in de mist, of is er een leven na de dood?”. Alle drie deze heren reageerden snel op de ongemanierde directe vragen van deze obscure monnik uit het achterland. Tot op de dag van vandaag ben ik deze heren nog steeds dankbaar. En om met het dubieuze antwoord van Dr. Murakami te beginnen, hij schreef mij:

“Het Boeddhisme leert ons dat er geen permanent zelf bestaat. Als er geen permanent zelf is,  bestaat er ook geen geboorte en dood. Maar misschien is er leven en dood voor hen die in  zichzelf een ego herkennen.”

Een versluierde uitbrander kwam van Unsho Risshi:

“Is het mogelijk dat een discipel van Boeddha zich bezig houdt met zulk soort vragen? Staat het niet overduidelijk in de lessen, of je nu zoekt in de leringen of in de Sutra’s ? Maar als je het nog steeds niet begrijpt, kom naar mijn tempel voor training.”

En van Shaku Soen Roshi kwam de instructie:

“Wat? Een Boeddhist die niets weet van de continuïteit van het leven? Als je Kensho (soort    verlichtingservaring) bereikt is dat probleempje voor je ontbijt opgelost. Allebei de Koan’s “Wat is het geluid van een klappende hand?” en zoals Kaku Osho van Roya zei: “Als alles van nature puur is, hoe komt het dan dat bergen, rivieren en de aarde zelf plotseling verrijzen?”  zijn goed. Als je helder doordringt tot één van deze Koan’s, is je probleem onmiddellijk opgelost.”

Het is misschien onhoffelijk te vertellen wat ik dacht, nadat ik de drie antwoorden in overweging had genomen, maar ik dacht niet dat Dr. Murakami de Boeddhistische leerstellingen werkelijk begreep. Het is niet zo dat, omdat het Boeddhisme egoloosheid predikt, geboorte en dood niet bestaan. En wat Unsho Risshi betreft, wat hij zei was redelijk genoeg, maar het leek erop dat zijn begrip over die theorie niet gefundeerd was. En ik kon mijzelf er niet toe brengen naar zijn tempel te gaan om bij hem te trainen. De enige die overbleef om mijn vertrouwen in te stellen, was Shaku Soen Roshi. Zijn antwoord was het meest verheffende van de drie. En ik nam het besluit om mij aan een serieuze training te onderwerpen en beloofde mijzelf tot verlichting te komen. Zo kwam het dat ik voor training naar het Inzaaiklooster Shogen-Ji ging, waar ik het al eerder over had. Ik was in staat “Het geluid van één klappende hand” te horen. Dat is te zeggen, ik kreeg dat als extra bovenop mijn eerste Kensho- ervaring, die gepaard ging met een groot gevoel van vrede. En zoals iedereen die een eerste Kensho ervaart, overviel mij een groot vreugdegevoel. En tijdens deze vreugde heb ik mijzelf afgezonderd en een vreugdedansje gemaakt.

Maar na ongeveer twee maanden kreeg ik twijfels over mijn ervaring en donderde ik in een afgrond van zielepijn, zoals ik nog nooit had ervaren. Nogmaals wierp ik mij met nog grotere ijver op mijn training. Ik herinner mij dingen uit die periode, zoals mediteren in de sneeuw, spiernaakt Zazen in een broeierig bamboebos waar je werd opgevreten door de muskieten.

Mijn tweede Kensho zal je wat onsmakelijk in de oren klinken. Op een morgen, toen ik aan een lange bedeltocht bezig was, zat een oude vrouw te piesen in een open toilet naast de ingang van een boerderij. Toen ik de urinestroom zag, stroomde ook de Satori (verlichting).   Ik was naar Ibuka gekomen toen ik twintig was, ik bleef daar drie jaar, ik trainde zowel onder Daigi Osho als onder Toju Osho. Daarna volgde ik een theoretische studie aan een Boeddhistische universiteit. Na mijn afstuderen werd ik twee maal aangesteld om een research te doen, wat in totaal zes jaar in beslag nam. Gedurende die tijd praktiseerde ik onder Jitsuyu Watanabe, Tenkai Hoshimi, Tatsujun Adachi, Sotan Oka en Kodo Akino: stuk voor stuk Boeddhistische leraren, geen van hen naar tevredenheid. Uiteindelijk ging ik naar Kogenshitsu Dokutan Rodaishi van de Nanzen-Ji tempel en bleef drie jaar onder zijn leiding. Dokutan Roshi was een uitzonderlijke leermeester, hij was begiftigd met zowel de kracht van Boeddha’s waarheid, als met een uitstekende moraal. Ik voel mij zelf zeer begunstigd dat ik onder deze zeer gerespecteerde meester heb mogen trainen. Ik vertel dan ook altijd aan hen die bij mij trainen dat Dokutan Roshi, ondanks zijn zwakke gezondheid die hij van kinds af aan had,  alleen dankzij zware training tot deze begaafdheid is gekomen.

Hij sprak altijd zachtjes, maar als hij een uitbrander gaf met een stem die nauwelijks te horen was, liepen de rillingen over mijn rug en het zweet brak mij uit. Als mijn voorgaande meesters mij rigoureus het vuur aan de schenen legden, bleef ik daar koel onder. Maar terwijl Dokutan Roshi’s woorden dezelfde waren als die van  mijn voorgaande meesters, dwong de kracht van zijn karakter respect af. Ik leerde van hem, dat de kracht van karakter alleen, mensen in beweging krijgt. Tijdens mijn verblijf bij Dokutan Roshi viel mij drie keer Kensho ten deel en uiteindelijk loste ik het probleem van geboorte en dood op. Met gerust hart kon ik met een luid gesnurk in slaap vallen. Maar om dit punt te bereiken heeft me twintig jaar training gekost. Dit betekende natuurlijk niet dat ik geslaagd was en een diploma kreeg. Ik ben nog steeds in training. En nu ik een oude man ben, die zesentachtig jaar op weg is, ben ik nog steeds een twee jaar oud kind, dat nog nat achter de oren is; een zeer bescheiden positie.                                                        In mijn jeugd had ik mijn leven al ruw uitgestippeld. Ik zou mezelf wijden aan training en studie tot mijn veertigste. Van mijn veertigste tot mijn zestigste zou ik mezelf dienstbaar opstellen voor anderen en hen religieuze instructies geven. Vanaf mijn zestigste zou ik alles doen wat binnen mijn vermogen lag. Maar toen ik de geplande leeftijd van veertig bereikte, zag het er naar uit dat ik geen ander alternatief had, dan om de leraarspost op de universiteit te accepteren, die mij toen aangeboden werd. Ik gaf twaalf jaar les aan de Komazawa-universiteit, totdat ik mij realiseerde dat het veel belangrijker was om Zen-monniken te trainen, dan door te gaan met lesgeven. Zodoende accepteerde ik de functie van abt in het Hossinji-klooster. Dat is nu zo’n zes- â zevenendertig jaar geleden.

Als je naar de oude meesters kijkt, zijn de meest nobele en eerbiedwaardige zij, die door jarenlange training de golven van de geest tot rust hebben gebracht. Bijvoorbeeld: Joshu (een beroemde Chinese Zenmonnik, die leefde van 778 tot 897) had zijn eerste grote verlichting toen hij achttien was. Gevolgd door achttien grote Satori-ervaringen en ontelbare kleine. Hij verliet zijn huis toen hij zestig was en trapte op zijn tachtigste de bodem uit de put met zijn laatste Koan “Gewoon leven past het beste” (Ordinary mind is the way). Hij werd honderddriëentwintig jaar oud. Daarom stak Joshu met kop en schouders uit boven de vele patriarchen uit de geschiedenis en was een meester onder de meesters.

“Het leren van de Boeddhaweg is jezelf leren kennen, het zelf bestuderen.” Deze woorden van de oprichter van Eiheiji (Dogen Zenji) hebben we al eerder aangehaald. Hij vervolgt: “Jezelf kennen is jezelf vergeten.” De training is gericht op het vergeten van dat wat het zelf is, en dat is geen gemakkelijke opgave. Veronderstel, iemand bereikt op de een of andere manier Kensho, en ontwaakt uit de droom van dualiteit: misleiding en verlichting, gewone mensen en heiligen, zelf en anderen, gastheer en gast, geboorte en dood, goed en slecht, winnen en verliezen. En om dan tot de ontdekking te komen dat hemel en aarde, en dat wat het zelf is, één zijn, dat de veelheid een éénheid is. Maar de hardnekkige tendens, het vasthouden van het dualisme, overgedragen uit een eindeloos verleden, is niet gemakkelijk weg te wassen. En dan, als uiteindelijk Satori je ten deel valt, blijft de herinnering van deze ervaring aan je vastkleven als hars. De training om dit uit te wissen zal je niet gemakkelijk vallen. Om deze herinnering te eindigen gebruikten de oude meesters “De vier condities”, “De vijf rangen” en “De tien plaatjes van de os”. Om op deze manier het stadium van hun training zorgvuldig in detail en diepte te onderzoeken op achtergebleven ongerechtigheden???. Er wordt verteld dat door een heldere Kensho-ervaring, misleidende denkbeelden van de waarheid in één klap aan stukken worden gebroken, als een donderslag bij heldere hemel. Maar misleidende gedachten zijn echter misleidingen die gebonden zijn aan zeden en gewoonten. Om hier doorheen te breken, is als het doorsnijden van de lotusstengel met zijn hardnekkige, taaie draden. Om deze reden is het dat de patriarchen, na het verkrijgen van Satori, nog twintig, dertig, veertig jaar toegewijd doorgaan met trainen.

In het recente????of verre verleden, hier in Japan, leidden Daito Kokushi en Kojiki Tosuo een leven als bedelaar en Kazan Kokushi trok zichzelf diep terug in de bergen van Ibuka en leefde als boer. En dit alles met geen andere reden dan zichzelf te vergeten, na Satori, en zich te harden als staal.

Sekito Zenji waarschuwt ernstig in zijn Sandokai: “Hoewel je het zou verwachten, het is niet Satori”.

Dit is er de oorzaak dat mensen die zich met Zen bezighouden te gehaast gezegden verspreiden, zoals “Elke dag is een goede dag” en “Pure wind, heldere maan”. Maar om dit in praktijk te brengen is geen gemakkelijke opgave.En wie zit er in deze gehaaste wereld eigenlijk op deze moeilijke training te wachten? Zeggen de Boeddha’s en patriarchen zelf niet dat alle wezens van nature al Boeddha zijn? Deze en andere niet doorleefde uitspraken worden gebruikt in zogenaamde Dharma-toespraken, door zogenaamde leraren wier ogen nog potdicht zitten. Hoe beangstigend is dit, dit roekeloze van onze tijd, dit is beangstigender dan de atoombom, die zo gevreesd wordt door de wereld. Zoals het er nu voorstaat, ben ik een zwakke oude man, die allang zijn pensioengerechtigde leeftijd is gepasseerd en nog steeds zijn gewicht in de schaal tracht te gooien. En niet in de laatste plaats om te helpen de ogen te openen van de Amerikanen, die helemaal naar Japan zijn gekomen om te trainen. Het verheugt mij te zien, dat de overdracht van Zen op een goede manier de wateren oversteekt. Mr. Kapleau, die hier in training is, was enige jaren geleden hier als verslaggever voor de Tokyo Trials. Nu is hij net als de monniken: hij eet rijstepap, helpt de beerput legen, beoefent Zazen en “Meditatie in actie”, en worstelt met de Koan “Mu”. Hij doet mee aan de week-Sesshin, die hier zes keer per jaar gehouden worden. En “Mu” houdt hem wakker in de nacht: Mu, Mu, Mu, Mu. Hoewel alles wat hij doet zeer lovenswaardig is, heeft hij helaas nog geen Satori gehad.  Het is erg jammer om te zien, dat de buitenlanders niet kunnen zitten zonder dat hun benen pijn gaan doen. We kunnen niet dankbaar genoeg zijn, dat wij als oosterlingen opgevoed in Boeddhistische landen, gemakkelijk in lotushouding kunnen zitten. Voor ik ga eindigen, wil ik wat opmerkingen maken voor de Amerikanen in training. Er waren er vier hier, waarvan één een vrouw, drie ervan zijn teruggekeerd naar hun vaderland, alleen Mr. Kapleau is overgebleven. Het ziet ernaar uit dat Mr. Philip, die hier al eerder was, snel terugkomt. De meeste van hen zijn begonnen met meditatie als gevolg van het horen van lezingen, gehouden door Dr. Daisetsu Suzuki aan de universiteit van Colombia. Dat is te zeggen, ze weten dat de kern van Zen zeker niet bereikt kan worden door concepten, gewaarwordingen of geloof. Dr. Suzuki vertelde hen: “Als je spirituele zelfkennis wilt ervaren, is het onontbeerlijk om formele training te ondergaan onder leiding van een goede Zenmeester.”  Mr. Philip, die docent Westerse Filosofie is aan een Amerikaanse universiteit, beoefende hier Zazen, toen hij in een uitwisselingsprogramma aan het Nara Vrouwencollege zat. In eerste instantie ging hij twee keer naar India, de wieg van het Boeddhisme, in de hoop een leraar te vinden. Hij vertelde me dat hij er uiteindelijk een vond, wiens Dharma-oog geopend was. Maar omdat deze meester nog nooit een ander persoon tot verlichting had gebracht, kwam Mr. Philip tot de conclusie dat het een hopeloze zaak was. Zodoende kwam hij naar Japan. In ieder geval, de Amerikanen die hier komen trainen, zijn waarlijk op zoek en komen hier omwille van de grote Dharma. Voor hen is het dat ik extra goed voor mijn lichaam zorg en bid dat ik mag leven tot een rijpere en hogere leeftijd.

 

DAIUN SOGAKU HARADA ROSHI.

 

HOSHIN-JI

 

HOSHIN-JI

Het klooster waar Daiun Sogaku Daiosho 40 jaar abt was.

Digiprove sealAuteursrechtelijk beschermd door Digiprove © 2018
Please follow and like us:

370total visits,2visits today