haradatangen

Vreedzaam ...

Boeddhisme staat voor geweldloosheid en een vreedzame samenleving.

April sesshin

Vr 2 t/m do 8 april
meer info / inschrijven

home / Publicaties / Harada Tangen Roshi / 1991 / Teisho April 5 (pagina 1 van 3)

Werp lichaam en geest af

door Harada Tangen Roshi, Bukkoku-Ji

Wat is precies het loslaten, het afwerpen van het zelf?

Zen bestaat uit praktiseren. En bestaat niet uit erover pra­ten.
Zen is niet een gevoel of een idee. Zen is DOEN, praktiseren, beoefenen.
Werp lichaam en geest af. Vergeet je lichaam en geest. Werp je in Boeddha's huis en zorgen zorgen voor zichzelf. Waar zou je je nog druk over moeten maken, wat blijft er nog over om achter te komen?
Dit zijn de woorden van iemand die het pad beoefend heeft.

Voor wie het pad beoefent, is het onvermijdelijk dat je moet klim­men, klimmen en nog eens klimmen en moei­lijke momen­ten zal ontmoeten.
Dat je telkens weer over hetzelfde strui­kelt en het weer opnieuw moet doen.
Er zijn er geweest voor wie niets buiten hun pad (oefening) viel. Je zult perioden in je oefening tegenkomen dat niets buiten je pad valt. Maar iedereen die het pad gevolgd heeft, deed dat door li­chaam en geest af te werpen.
Dat is wat je hier doet, je volledig op je oefening werpen, met je volledige inzet niets achterhouden.
Alle Boeddha's en patriar­chen zijn door een gelijksoortig proces gegaan.
Het zal niet gelijk gebeuren, maar het zal mogelijk worden om jezelf totaal te geven, niets achterhouden.
Als je nog maar net begint, dan besef je nog niet hoe belang­rijk de waarde hier van is, en neem je voor waar aan wat ik zeg. Door dit misverstaan, door te geloven wat ik zeg, in plaats van het zeker te weten, mis­bruik je dit mo­ment en mis je de kans het in praktijk te brengen. Waarschijnlijk beschrijf ik hiermee iedereen die hier zit. De meeste tijd kijken we over dit moment - wat werkelijk belang­rijk is - heen.

Als je tot het punt komt waar je werkelijk de Dharma verstaat, dan heb je een staat bereikt waar je niet langer wordt afge­leid. Zelfs nu je de kans hebt Boeddha's Dharma lessen te horen, zelfs nu je het op dit moment hoort, kijk je de andere kant op. Je twijfelt nog steeds, de werkelijke waarde van de Dharma is nog steeds niet tot op je botten doorgedrongen.
Maar als je een keer van de werkelijkheid geproefd hebt, al is het maar een heel klein hapje dan staat je leven in een totaal nieuw licht.
Heb je hier eenmaal van geproefd, dan weet je dat je nog maar een ding te doen staat, tot de kern hiervan doordrin­gen.
Dat is wat er op een natuurlijke manier met je gebeurt.

Sakjamuni Boeddha was de eerste in onze Dharma stamboom die
keer op keer, leven na leven, zich zelf oefende in het loslaten van lichaam en geest. Als dit alleen maar een zaak was van het opgeven van dat wat bruikbaar voor je is, of het opgeven van je pleziertjes, dan is dit relatief gezien erg gemakkelijk. Het is niet een zaak van het laten varen van voor- en afkeer, dat is niet wat be­doeld wordt met het laten vallen van lichaam en geest.
Wat je moet laten vallen is datgene waar je het meest bang voor bent, dat wat je als je grootste vijand beschouwt.
Situaties waar je niet graag in verzeild raakt, plaatsen of mensen waar je niet graag mee in contact komt. In zulk soort situaties begin je een gevecht om dat te behou­den waar van je denk dat je het bezit.  En als verdediging voer je aan "hoe ben ik hierin verzeild geraakt, waarom zit ik met deze persoon opge­scheept, waarom ik? Wat heb ik gedaan, dit verdien ik toch niet. Waarom zit ik met deze persoon opgescheept waar ik geen donder om geef".

Als je in een impasse terecht komt, en werkelijke honger krijgt, als je op een punt komt waar je de boel op een rijtje moet krijgen, dan smaakt het eerste wat je te eten krijgt verrukke­lijk, als of je het voor het eerst proeft.
Tot je honger hebt, raak je het eten wat voor je neus staat niet eens aan.
Maar als je honger hebt en je eet, dan smaakt het verrukke­lijk.

Heb je wel eens de smaak van water geproefd?
Loop maar eens een dag door de woestijn zonder een druppel water. Als je die dag volhoudt en je vindt als de zon onder gaat een bron, dan valt geluk en de smaak van water je ten deel.
Vermoeid, slaap je in, in een verkwikkende en vredige slaap. En als je de volgende morgen wakker wordt, herinner je je de tocht van de vorige dag. De brandende zon, de oneindige woes­tijn en hoe je uiteindelijk de bron vond. Hoe goed dat water smaakte.

Je herinnert je de botten in het zand van de ongelukkigen die het niet gehaald hadden. De door de zon gebleekte botten van de ongelukkige woestijnreizigers. Die gaven je de aanzet en kracht om met je gehele wezen op zoek naar water te gaan.
Die botten zorgden er voor dat je je lichaam en geest totaal in het zoeken naar water gooide. Je bleef niet ergens zitten om het uitzicht te bewonderen, je ging niet eens even hier en dan weer daar kijken, niets kon je stoppen.

volgende pagina